Het moment

Mont Ventoux - 19 juni 2010 (2)

Terwijl Maxime Monfort naast een ritzege in de Ronde van Zwitserland pakt, en Lance Armstrong in diezelfde ronde bewijst dat hij klaar is voor de Tour, speelt de mistral mij danig parten. Dat heeft hij nog al wel gedaan, op vakanties allerhande. Terrasje doen onmogelijk gemaakt. Tentje op camping tot stalen brokstukken en gescheurd zeildoek geblazen. Krant lezen tot een pretloos karwei omgetoverd. Maar nooit had ik zo’n hartsgrondige hekel aan wind dan op zaterdag 19 juni 2010.

En dan te weten dat vrijdag 18 juni 2010 een prachtige dag was, in de Vaucluse. Zachte bries, lekker zonnetje, een heerlijk fietstochtje van onze camping in Benivay naar Vaison-La-Romaine, enkel om de benen wat los te gooien. Nog enkele baantjes in het zwembad, pasta als avondeten en absoluut matig met wijn. En zenuwen die bij ons allemaal, alle 28, toch wel wat begonnen te spelen. We hadden hem al enkele keren zien liggen, de Kale Berg, en hij zag er verdomd indrukwekkend uit. We konden ons onmogelijk een totale offday permiteren. En dat deden we dan ook niet.

Mont Ventoux

De weersomstandigheden, daarentegen. Toen we rond half zeven opstonden waren er al veel meer, en ook veel grijzere wolken dan vrijdag. Onderweg naar de startplaats zagen we de top van de berg in de wolken liggen. En toen Anton, André en ik om 9 uur in Bédoin de start pakten, was het nieuws onheilspellend. Sporta had geen rugzakken naar boven getransporteerd, er stond veel wind, en de temperatuur op de top was zes graden, maar de gevoelstemperatuur lag in de buurt van het vriespunt. Alledrie met de rugzak op de rug naar boven, dus. Dat zou ons ook nog wel lukken. En we hadden truitjes en beenstukken en regenjasjes en handschoenen met vingers bij.

De eerste vier kilometers bleven we samen. Tot we zagen dat Anton zich al te erg moest inhouden, en we hem op pad stuurden. Ga maar kerel, we zien je wel boven. En tot aan het bos was dit een doorsnee klim. Zoiets als de Rosier. Een keer je ritme gevonden, kan je wel blijven rijden. Tot dat verdomde bos begint. Als er voor het eerst meer dan twee bomen bij mekaar staan begint een loodzware strook. Tot aan de volgende bocht, hopen we… Of die daarna? Er zal even een kort recuperatiestukje volgen, na een kilometer of 8, denk ik. Om daarna nog zwaarder omhoog te gaan. André is intussen van mij weg gereden (hij zal bijna 6 per uur rijden, ik haal bij momenten de 5,5 niet meer). Maar na 9 kilometer volgt een bevoorrading van Sporta. Heel even wat eten en drinken. Die 9 kilometer zijn al weg, de 10 en 11 volgen, de bevoorrading is pas na 12 kilometer neergepoot. André staat er al te eten, ik gooi mij op de sportdrank en bananen. En daar horen we dat de top intussen dicht is. We kunnen tot Chalet Renard. Flutweer.

Mont Ventoux

Nog vier kilometer dus, tot aan de Chalet. Vier kilometer in het rood, constant 10% of meer, geen enkele strook om op adem te komen. Naast mekaar duwen en stompen we verder. Schakelen hoeft niet, we liggen al lang op het kleinste verzet. De wind waait intussen vanuit alle hoeken, maar nooit in de rug. Ik rij iets te erg op de rand van het asfalt. De volgende windstoot duwt mijn voorwiel de kiezel in. Bijna vanuit stilstand knal ik tegen het asfalt. Mijn linkerelleboog vangt de val op. Wat kleine schaafwonden. Cols oprijden is geen sport voor mietjes, en al zeker niet als je dat vanuit Bédoin doet. André is intussen afgestapt en wacht. Nog twee kilometer tot Chalet Renard. Ik drink en duw mezelf terug in beweging. Ik fiets André voorbij, die zich maar moeizaam terug op gang trekt, en de twintig meter die hij prijsgaf nooit meer goedmaakt. Anton zijn we intussen al in zijn afdaling tegengekomen.

Aan Chalet Renard staat ons support-team Katty, Marleen en Ludo. Koen komen we er ook nog tegen, en Anton is na enkele honderden meters afdaling opnieuw omhoog gereden. De top, die is nog altijd dicht. Ik laat mijn elleboog verzorgen, en we besluiten de afdaling richting Sault te nemen. Toen ik naar boven kroop, kreeg aan de andere kant van de weg een daler een klapband. Met wat minder percentage naar beneden rijden was geen onprettig vooruitzicht. In Sault namen we de tijd voor een koffie. Anton ging nog eens tot Chalet Renard rijden, en dan naar Bédoin dalen. André en ik zouden de gewone weg van Sault naar Bédoin nemen. Fijne weg, die van Sault naar Bédoin. De eerste kilometers, althans. Zachtjes naar beneden, nauwelijks trappen. Tot je plots aan een klim begint. Die ook bochtenlang doorgaat. En pas eindigt op de top van Col des Abeilles (996 meter). Als toetje kan dit tellen. Ik zie op mijn fietscomputertje dat ik meer hoogtemeters heb dan de beklimming van de Ventoux vanuit Bédoin. Maar nu zal het wel bergaf gaan, zeker?

Het gaat ook bergaf. Alleen heeft iemand die afdaling bezoedeld met een stuk glas, dat uitgerekend in mijn achterband terechtkomt. André is er intussen vandoor, en hoort mij door de wind ook niet roepen. En ik heb geen zin om hier aan mijn achterwiel beginnen te prutsen. Dus ons support-team maar gebeld. Dat mij gelukkig komt oppikken en tot Bédoin brengt. Onderweg passeren we André. Ik laat in Bédoin mijn band maken, en hoor dat de top terug open is. Maar intussen heb ik het echt wel gehad. Zestig kilometers op de fiets gezeten, bijna 1800 hoogtemeters, mijn elleboog geschaafd en mijn achterband leeggelopen. Maar toch dat gevoel uit dat liedje van Jan De Wilde: “Ik kan het, ma, ik kan het!”

Reacties

  • Meyrueis, Lozère - 26 juni 1977 (6 september 2010) Zo begint de absolute klassieker “De Renner” van Tim Krabbé. Krabbé (°13 april 1943) is de broer van de befaamde acteur Jeroen Krabbé, en was in zijn jonge jaren een grootmeester in het schaken. Daarenboven was hij journalist (hij schreef onder andere voor Vrij Nederland), en werd hij in 1967 voltijds schrijver, wat resulteerde in 26 literaire boeken, een handvol literaire prijzen, zes verfilmingen, een hoop schaaklectuur en dus “De Renner”. “De Renner” is de beste wielerroman ooit geschreven. “De Renner” leest als een naar de massasprint daverend peloton. “De Renner” is een absolute must voor iedereen die ooit meer dan vijf kilometer op een fiets gezeten heeft. Er is voor noch na “De Renner” ooit een beter wielerboek geschreven. Oh ja, er waren verdienstelijke pogingen. “De proloog” van Bert Wagendorp is absoluut een aangenaam boekje. Jos Vandeloo probeerde iets met “De beklimming van de Mont Ventoux”. Gijs Zandbergen en Marco Pinotti schreven literaire brieven in “Verlangen naar de Giro”. Willie Verhegghe schreef heroïsche wielergedichten in “Renners sterven niet”. En ook bij Paul Rigolle kan je terecht voor meer dan zo maar wat verhaaltjes uit de koers. Zelfs Dimitri Verhulst schreef deze zomer in Humo zijn eigen kleine renner, zijn relaas van zijn beklimming van de Tourmalet. Maar de enige norm, de standaard, het ijkpunt blijft “De Renner”. Het verhaal is simpel. Maar voor ik het vertel misschien wat meer over de auteur. Tim Krabbé reed op 11 maart 1973, net geen dertig jaar oud zijn allereerste wielerwedstrijd, een tijdrit over 33 kilometer, waarin hij 41ste op 49 werd. Hij ontpopte zich de jaren daarna tot een verdienstelijk amateurwielrenner. “De Renner” beschrijft het verloop van zijn driehonderdnegende wedstrijd, de Ronde van de Mont Aigoual, een geaccitenteerde koers in de Cevennen. Tussendoor flashbacks naar de vorige 308 wedstrijden, of verhalen uit de rijke wielergeschiedenis. En dit alles denderend in het wiel van zijn voornaamste rivalen, hijgend in de klim of bibberend in de bochten van angstwekkende afdalingen. Één stukje wil ik je niet onthouden. Omdat ik het zelf meemaakte. Omdat het zo herkenbaar is. Het gaat over de Mont Ventoux, die vreselijke puist in de Vaucluse. “Het bos is het ergste. Meer dan tien kilometer klim je langs hellingen van wisselende steilte, maar steeds van meer dan tien procent. Een ritme vind je niet. Staan op de pedalen helpt niet en zitten in het zadel helpt niet. Drieënveertig door drieëntwintig delen is onmogelijk. Iedere gedachte rolt onmiddelijk achterwaarts je hoofd uit. Een goede tijd maken lukt niet? Je komt er op of je komt er niet op; je horloge trekt zijn eigen plan.” De eerste druk van “De Renner” verscheen in 1978, maar het boek is geen alinea gedateerd, carbon-kaders, klikpedalen en shifters aan het stuur ten spijt. Het is een demarrage van Bahamontes, een tijdrit van Anquetil, het werelduurrecord van Merckx. 129 bladzijden ademloos. De spannendste koers van het jaar. Van het jaar? De spannendste koers die je je herinnert. Waarvoor je voor de TV bleef zitten, en telkens opnieuw wilde rechtstaan. Met commentaar van Mark Uytterhoeven en Fred De Bruyne. En Jan Wauters op de moto.

    Door Cyclingmoments - het moment op 06 September 2010

© 2007 - 2011 Wielerblog 'Het Moment' door Luc Purnelle
© 2013 - Website by Erik Van Breugel
All rights reserved - powered by ExpressionEngine